Dagboek van een Dromer | De charme van een Waddeneiland

Ruim tien jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de Waddeneilanden van ons kleine kikkerlandje. Ik was elf jaar. Nieuwsgierig, maar ook zenuwachtig voor de overtocht naar Ameland. “Een half uurtje”, reageerde mijn moeder kalm op de vraag hoe lang het varen zou duren. Vol spanning zat ik op de achterbank, te wachten tot we plaats konden nemen op het pontje. Deze herfst, tien jaar later, maakte ik zelf de overtocht. Naar Texel. Waar mijn ouders al op de plek van bestemming waren, ging ik samen met mijn twee broers op pad. Met z’n drieën op stap. De bende van ellende.

“Laten we op het dek gaan zitten”, stelt mijn oudste broer stellig voor. Hij is de leider van ons drieën. Het spreekwoord de handen uit de mouwen steken staat op zijn lijf geschreven. Samen met de jongste van ons drie loop ik met twee goedgevulde tassen achter hem aan. Mijn jongste broer is de goedzak van de familie. Hij vindt alles prima, zolang er maar geen discussies ontstaan. We lopen tegen de wind in het dek op en nemen plaats op een rood bankje die zijn beste tijd al heeft gehad. Ik kijk naar beide jongens. Mannen, moet ik eigenlijk zeggen. Zo zaten we nog met z’n drieën op de achterbank van de auto te dollen en tien jaar later zijn we als ‘volwassenen’ onderweg. Na twintig minuten ronddobberen op de Waddenzee zien we langzaam maar zeker twee stipjes in de verte verschijnen. Eén stipje valt opvallend veel op. Mijn moeder is met haar felroze sjaal op een kilometer afstand al te herkennen. Samen met mijn vader, die glimlachend door een iets te kleine verrekijker kijkt of zijn bloedjes van kinderen veilig aankomen, staat ze ons zwaaiend op te wachten. Kaya, onze Rhodesian Ridgeback met een vleugje Mechelsche Herder kijkt, zoals gewoonlijk, onbewust de andere kant op. Schokkerig legt de boot aan in de haven van Texel, waarna we als eerste passagiers van de veerboot afstappen. Even voelt het alsof je in een compleet andere wereld bent aangekomen. Ook al ben je maar 4,5 kilometer verwijderd van het vaste land, de charme van een Waddeneiland doet iets met je.

Met mijn groene kaplaarzen loop ik die middag met mijn ouders langs de kust van Texel. Het weer is grijs, maar alles behalve somber. “Zo hoort het te zijn”, hoor ik in gedachte mijn moeder zeggen. Ik snuif de zoute zeelucht op. De frisse Noordzeewind raast langs mijn gezicht en met grote passen verplaats ik mij over het uitgestrekte strand. Kaya neemt een sprintje door het woeste water en snuffelt ondertussen aan de aangespoelde voorwerpen. Blosjes verschijnen op mijn wangen en ik steek tevreden mij neus in mijn zwarte, geblokte sjaal. “Wat lekker he”, brabbelt mijn vader. Ook hij is even helemaal weg. Ik merk het aan alles. Weg van de bewoonde wereld, weg van alle chaos die plots op je pad kan komen. Mijn moeder kijkt naar de oneindige horizon, glimlacht en laat daarna haar hoofd weer zakken. Ze kijkt naar beneden, zet stevige passen in het zand en laat een traantje. Van de kou, want die waterige ogen herken ik maar al te goed. Mama geniet. Papa geniet. Ik geniet. Het enige wat we horen is het rustgevende geklots van de golven en de kracht van de wind die langs onze lijven raast. We kijken elkaar aan, keren om en denken alle drie hetzelfde. Vredig en met een diepe zucht zegt mijn moeder grijnzend: “Zo.. en nu koffie!”

TwitterInstagramBloglovinFacebook

2 Reacties

  1. 2 december 2017 / 01:02

    Ohhhh Melanie wat prachtig geschreven…wanneer komt je boek uit? Liefs!

    • mm
      melanieannax
      30 december 2017 / 01:00

      Awh, zo lief! Lijkt me wel erg leuk hihi. Liefs!

Geef een reactie